Over de geest

Terwijl ik door een oude Yuno Kusen van mijn meester Roland Rech blader, kom ik deze zin tegen: “Meester Nyojo zei dat je tijdens zazen je geest in je handen moet leggen.” (1)
Ik heb hem dat vaak horen zeggen.
Maar wat betekent dat precies?
Het bewustzijn? Het onderbewustzijn? De intuïtie? De gedachten zelf, of de stilte waaruit ze voortkomen? Het woord “geest” lijkt alles te omvatten – en misschien juist omdat het alles omvat, glipt het tussen je vingers weg zodra je het probeert vast te pakken.
Filosofen, psychologen en mystici hebben zich er altijd al mee beziggehouden. Zonder het ooit echt te kunnen vatten. Wat misschien wel het goede nieuws is.
Je gedachten niet volgen
In zazen hoor je vaak zeggen: volg je gedachten niet. Hecht je er niet aan, maar wijs ze ook niet af. Laat ze voorbijgaan, als wolken.
Maar wat blijft er over als je je gedachten niet volgt?
Meester Roland Rech vervolgt in dezelfde kusen: “Het bewustzijn wordt veel ruimer. De geest is ontvankelijk en omvat alles wat zich voordoet… De geest die zich verzet, die afwijst, die wil begrijpen, die wil vasthouden, wordt losgelaten, alsof hij oplost in de concentratie op de houding van het lichaam.”
Die geest – hij noemt hem hishiryo – bevindt zich voorbij het denken en het niet-denken. Een geest die nergens stil blijft staan.
Is het een “toestand”? Een “aanwezigheid”? Een andere kwaliteit van zijn? Woorden schieten tekort. Maar in de praktijk herken je iets: iets ruimers, iets soepelers, iets lichter.
Minder verzwaard door onze mentale gewoontes. Alsof de lucht beter circuleert.
En dan is er nog iets dat neurologen nog maar net beginnen te onderzoeken: de intieme relatie tussen de handen, de vingers die de mudra hokai jo in vormen, en het brein. Het lichaam is niet de behuizing van de geest. Het maakt er volledig deel van uit.
Geen vorm, geen vormloosheid
De kusen van Meester Roland Rech vormt de inleiding op een verhaal uit de Denkoroku van Meester Keizan – het ontwaken van Nagarjuna in aanwezigheid van zijn meester Kapimala.
Kapimala had net van de koning van de Naga’s een buitengewoon juweel ontvangen, de Cinta-Mani – het ‘wensjuweel’, dat in staat was om alle verlangens te vervullen.
Nagarjuna, geïntrigeerd, vraagt hem: heeft dit juweel een vorm? Of heeft het geen vorm?
Kapimala antwoordt: “U kent alleen ‘een vorm hebben’ en ‘geen vorm hebben’, u weet niet dat dit juweel noch ‘een vorm heeft’, noch ‘geen vorm heeft’. Bovendien weet u nog niet dat dit juweel geen juweel is.” (2)
Bij deze woorden ontwaakte Nagarjuna.
Dit antwoord blijft lang nazinderen. Het zou een definitie kunnen zijn van de geest in onze beoefening – een geest zonder karmische resten, zonder spoor van ego, die niets grijpt, niets vervaardigt. Een geest die tot alles in staat is, juist. Zijn juweelachtige kant.
Maar wat nog belangrijker is: deze geest is absoluut verstoken van enig instrumentaal karakter. Hij is niets dat men zou kunnen gebruiken. Niets dat men zou kunnen benoemen. Hij is leegheid – ongrijpbaar omdat hij ondefinieerbaar is.
Zoals onze handen in zazen.
Er is de vorm. En in het hart van de vorm is er niets.
Misschien is dat wel de geest.
————
(1) Le Zen des Patriarches, p.151 – Yuno Kusen, 2003
(2) Denkōroku, p.157 – mijn eigen vertaling uit het Frans van Jean Nyojo Rat – Éditions Almora, 2024
Credit foto: Photo by Jeremy Yap on Unsplash
